In 2010 gaf Philips 617 miljoen euro uit aan onderzoek. ASML en Shell volgden op korte afstand met elk een slordige 360 miljoen. Kosten die gemaakt worden voor het bedenken, maken, testen en verbeteren van oplossingen voor in ons dagelijks leven. En zodra die oplossingen er zijn, wil men weer betere oplossingen.

Dat dit ook anders kan leert ons de Nederlandse professor Videler. Op onze wereld leven miljoenen dieren en planten die allemaal zijn aangepast aan hun omgeving. Professor Videler laat zien dat deze dieren en planten technieken gebruiken die perfect zijn uitgevoerd en als voorbeeld kunnen dienen voor nieuwe technologie.

Vele miljoenen aan onderzoek kunnen dan ook bespaard worden door eerst te kijken hoe een probleem is aangepakt in de natuur.
Dit ’leren van de natuur’ is niet nieuw. Zo ontwierp de beroemde uitvinder Leonardo da Vinci al in de 15e eeuw een vliegmachine door te kijken naar vogels en vleermuizen. En zorgde de uitvinder van het betonijzer in 1887 voor een revolutie in de bouw, simpelweg door goed te kijken naar hoe een cactus in elkaar zit.

Steeds meer technici doorgronden de werking van de natuur, met vaak verrassende ontdekkingen als gevolg. Gebouwen worden gebouwd naar het voorbeeld van termietenheuvels zodat ze koel blijven in de zomer. De structuur van de lotusplant leverde verf op die nooit meer vies wordt. En zespotige robots zorgen er voor dat de bosgrond niet wordt omgeploegd als de bomen worden gekapt.
En dit is nog maar het topje van de ijsberg aan oplossingen die liggen te wachten om toegepast te worden.

Mensen zien zichzelf graag als de slimste wezens op aarde. Maar als we nieuwe technieken bedenken, blijkt vaak dat de natuur ons al voor is geweest. Zo kunnen we nog veel leren van dieren en planten. Dat heet biomimicry: het nabootsen van de natuur.